Opbouw van railstukken
Elk railstuk in TRAX3D is een handvol getallen. Een wissel is geen plaatje maar een beschrijving: zoveel millimeter rechtdoor, dan een boog met deze straal over zoveel graden. Op deze pagina staat per soort stuk welke getallen dat zijn en hoe ze samen het stuk vormen. De tekeningen zijn gemaakt uit echte stukken uit de railbibliotheken.
Hoe je de tekeningen leest
- Je kijkt van bovenaf. Het stuk begint bij aansluitpunt 0, het bolletje met de ring, en loopt naar rechts.
- De gekleurde lijn is de hartlijn van het spoor, het grijze vlak eronder het ballastbed.
- Elk deel heeft zijn eigen kleur: blauw het rechte stuk vooraan, oranje de boog, paars een tweede boog, groen het rechte stuk achteraan.
- De genummerde bolletjes zijn de aansluitpunten, waar het volgende stuk aanklikt.
- Lengtes zijn in millimeter, hoeken in graden.
Links en rechts gelden gezien vanaf punt 0, in de richting van het stuk. In de bibliotheek zegt d: true dat een boog naar links gaat; zonder d gaat hij naar rechts. Op de tekeningen gaat links omhoog.
Aansluitpunt 0 is altijd de oorsprong van het stuk: daar ligt het, en daaromheen wordt het gedraaid. Hoe de andere punten genummerd zijn, verschilt per soort en staat hieronder.
Recht (L)
- l is de lengte.
Twee aansluitpunten: 0 aan het begin, 1 aan het eind.

Boog (C)
- r is de straal, gemeten tot de hartlijn.
- a is de hoek van de boog, in graden.
Een boog heeft geen kant. Leg hem andersom neer, met punt 1 vooraan, en hij buigt de andere kant op. Daarom staat er bij een boog geen d.

Wissel (S)
Een wissel bestaat uit een of meer benen die allemaal bij punt 0 beginnen, de wisselpunt. Elk been is een route door het wissel, en is opgebouwd uit hoogstens vier delen achter elkaar: recht, boog, boog, recht.
- l0 is het rechte stuk vooraan.
- r, a en d zijn de boog die daarop volgt: straal, hoek en kant.
- r2, a2 en d2 zijn een tweede boog direct achter de eerste. Die mag een andere straal hebben en de andere kant op buigen.
- l1 is het rechte stuk achteraan.
Elk deel mag ontbreken. Het eerste been heet def[0] en eindigt bij aansluitpunt 1, het tweede def[1] bij aansluitpunt 2, enzovoort.

Een gewoon wissel
Märklin 2262 heeft twee benen. Het eerste is alleen een recht stuk van 168,9 mm, het tweede alleen een boog met straal 424,6 over 22,5° naar links. Wat in de winkel een linkse wissel heet, is in de bibliotheek dus een been met d: true.

Een driewegwissel
Een driewegwissel is niets bijzonders: gewoon drie benen. Fleischmann 6157 heeft een recht been van 200 mm en twee bogen met straal 647 over 18°, een naar rechts en een naar links. Dat geeft vier aansluitpunten: de punt en drie uitgangen.

Een boogwissel
Bij een boogwissel buigen beide benen dezelfde kant op. Märklin M 5141 is daar een voorbeeld van: het ene been is meteen een boog met straal 360 over 30°, het andere gaat eerst 77,4 mm rechtdoor en maakt dan dezelfde boog. De twee routes eindigen dus naast elkaar in dezelfde richting, verschoven over dat rechte stuk.

Een ander programma kan hetzelfde stuk anders beschrijven en toch op dezelfde plek uitkomen. XTrkCAD beschrijft de binnenste route van de 5141 als 16,5 mm rechtdoor, een boog met straal 298,5 over 30° en weer 16,5 mm rechtdoor. Beide versies eindigen 180,0 mm vooruit en 48,2 mm opzij, in dezelfde richting. Voor wat erop aansluit maakt het dus niets uit; alleen de lijn binnen het wissel ligt net iets anders.

Kruising (X)
Een kruising is twee rechte sporen die elkaar kruisen. Een trein kan er alleen rechtdoor overheen.
- l is de lengte van het eerste spoor, van punt 0 naar punt 1.
- l2 is de lengte van het tweede spoor, van punt 2 naar punt 3.
- a is de hoek tussen de twee.
- x is waar het kruispunt op het eerste spoor ligt, gemeten vanaf punt 0. Zonder x is dat het midden.
- x2 is waar het kruispunt op het tweede spoor ligt, gemeten vanaf punt 2. Zonder x2 ook het midden.

Kruiswissel (K)
Een kruiswissel ligt precies als een kruising, met dezelfde vier aansluitpunten op dezelfde plek. Het verschil is dat een trein er van het ene spoor naar het andere kan, over een boog tussen de twee.
- l, l2, a, x en x2 betekenen hetzelfde als bij de kruising.
- slip zegt welke bogen er zijn: 1 de route van punt 0 naar punt 3, 2 de route van punt 2 naar punt 1, 3 allebei. Staat er niets, dan zijn het er twee: een dubbele kruiswissel.
De straal van die bogen staat nergens in de bibliotheek, en dat hoeft ook niet. Een boog moet aan beide kanten precies in het verlengde van zijn spoor vertrekken, en er is maar één cirkel die dat doet. Zijn straal is r = (l / 2) / tan(a / 2).
Voor Märklin 2260, met l = 168,9 en a = 22,5°, geeft dat 424,6 mm: precies de straal die Märklin zelf opgeeft.

Schaarkruising (D)
Twee evenwijdige sporen met een overloop in beide richtingen, die elkaar in het midden kruisen. Ook wel een dubbele overloop genoemd.
- l is de lengte langs elk spoor.
- spacing is de afstand tussen de hartlijnen van de twee sporen.
- r en a zijn straal en hoek van de bogen in de overlopen.
Elke overloop is een boog, een kort recht stuk en een boog terug. Dat rechte stuk staat niet in de bibliotheek, want de sporenafstand legt het vast: mid = (spacing − 2r(1 − cos a)) / sin a. Bij Kato 20-210 is dat 11,6 mm. De overlopen staan in het midden van het stuk.
Aansluitpunten 0 en 1 liggen aan het eerste spoor, 2 en 3 aan het tweede.

Stootblok (B)
- l is de lengte van het stukje spoor.
- bpos is waar het stootblok zelf op dat spoor staat, gemeten vanaf punt 0. Zonder bpos staat het in het midden.
Een stootblok heeft maar één aansluitpunt, 0. Aan de andere kant komt niets.

Draaischijf (T)
- l is de lengte van de brug, het deel dat draait.
- l2 is de middellijn van de put.
- a is de hoek tussen twee aansluitposities. Bij 15° zijn dat er 24 rondom.
- connect zegt op welke posities echt een spoor aansluit, als lijst met puntkomma's ertussen, en de eerste positie is 1. Leeg betekent: alle posities.
Positie 1 ligt op de oorsprong, zodat een draaischijf aansluit zoals elk ander stuk. De aansluitpunten zijn doorgenummerd over de posities uit connect: bij de Märklin 7186 is positie 23 aansluitpunt 13.

Flexrail (F)
- l is de lengte van het stuk zoals je het koopt.
Flexrail heeft geen eigen vorm. De bibliotheek geeft alleen de lengte; de vorm maak je zelf in de editor, door het eind en twee regelpunten te verslepen. Die worden met je project opgeslagen. Aansluitpunt 0 ligt aan het begin, 1 aan het eind. Hoe je buigt staat bij flexrails.
