en nl de
Inloggen Aan de slag
5

Het landschap

Onder je baan ligt geen platte plaat maar een landschap. Elke tafel draagt een hoogtekaart met een raster van 12,5 millimeter, en daarin boetseer je heuvels, dalen, insnijdingen en dammen.

In dit hoofdstuk:

De grond volgt vanzelf

Het belangrijkste om te weten voordat je begint: je hoeft de grond meestal niet zelf onder je rails te leggen. Til je een stuk spoor op, dan komt er een dam onder; laat je het zakken, dan wordt er een insnijding voor gegraven. Datzelfde geldt voor wegen, keermuren, perrons, gebouwen en water.

En als je zo'n ding weer weghaalt of verplaatst, komt de grond terug zoals hij was, ook als je hem intussen met de hand hebt bijgewerkt.

De kwast is dus voor het landschap dat jij wilt: de heuvel achter het station, het dal waar de rivier doorheen loopt, de vlakke strook waar het emplacement komt.

5.1 Terrein boetseren

Op de tab Terrein staat de kwast waarmee je de grond vorm geeft.

De terreintab: hoogte, textuur, kwast en water.

De kwast kiezen

In de groep Hoogte staat een keuzelijst met wat de kwast doet:

  • Selecteren, niet schilderen — de kwast uit. Kies dit om weer gewoon te kunnen klikken.
  • Ophogen / verlagen — grond erbij of eraf. Het teken van de sterkte bepaalt de richting: een positieve sterkte hoogt op, een negatieve graaft af.
  • Glad — strijkt gladder wat er ligt. De kwast waar je het meest naar teruggrijpt.
  • Vlak — maakt alles even hoog als de plek waar je de streek begon. Zo maak je de vlakke strook voor een emplacement.
  • Greppel — graaft een sleuf met een vlakke bodem en steile kanten.
  • Ruis — legt kleine bulten neer, ongeveer een vijfde van de kwast groot. Voor een oppervlak dat te glad is geworden.
  • Helling — geen streek maar één beweging: druk in op het lage punt, sleep naar het hoge punt en laat los. Tussen die twee komt een gelijkmatige helling.

De kwast instellen

In de groep Kwast staat de vorm en staan twee schuiven: Straal en Sterkte.

De vorm is rond, vierkant of gespikkeld, of een grijswaardenafbeelding die je zelf kiest. Die vorm zie je ook als een blauwe schaduw over het terrein liggen waar je muis is, dus je ziet altijd precies waar je gaat schilderen.

Straal is de straal van de kwast in millimeters. Sterkte loopt van −100 tot 100 procent en werkt niet lineair maar oplopend, zodat je aan de onderkant van de schaal fijn kunt werken.

De kwast werkt per seconde: hou je de knop ingedrukt, dan blijft hij schilderen zolang je hem daar houdt. Hoe snel je muis meldingen stuurt maakt dus niet uit.

Schilderen

Houd de linkerknop ingedrukt en beweeg. De camera laat je zolang met rust, zodat je vrij kunt bewegen; laat je los, dan kun je met de rechterknop weer draaien.

Eén streek is één stap in ongedaan maken. Hoe lang je ook bezig bent met één ingedrukte knop, Ctrl + Z maakt die hele streek in één keer ongedaan.

Ga je naar een andere tab van het lint, of kies je Selecteren, niet schilderen, dan legt TRAX de kwast neer. Esc doet dat ook.

Waar je op moet letten

De rails ligt vast op zijn eigen hoogte en gaat niet mee met de kwast. Boetseer je een berg dwars door je spoor heen, dan verdwijnt het spoor in de berg. Dat is soms precies wat je wilt — dan is het een tunnel — maar zeg dat er dan wel bij met op de itemtab, anders vult TRAX het bij de volgende terreinberekening anders in.

Zie je door de heuvel heen niet meer waar je spoor loopt: op de beeldtab staat in de groep Terrein de schakelaar Doorzichtig (50%). Dan wordt de grond halfdoorzichtig en kun je de rails eronder gewoon aanklikken.

5.2 Grondtexturen

De grond heeft niet één kleur maar negen lagen die door elkaar heen lopen: gras, zand, rots, grind, aarde, sneeuw. Welke waar ligt, bepaalt TRAX voor een deel zelf en schilder je voor een deel met de hand.

De negen lagen

Op de terreintab staat Grondtexturen. Daar staan de negen laden, elk met een afbeelding en een naam. Klik op de afbeelding om er een andere textuur voor te kiezen uit de catalogus.

De eerste vier laden hebben een vaste taak:

  • Lade 0 is de ondergrond: overal waar niets anders ligt.
  • Lade 1 is voor de steile stukken: rotswanden en insnijdingen.
  • Lade 2 is voor de hellingen.
  • Lade 3 is voor het hoge terrein: de bergtoppen.

De laden 4 tot en met 8 hebben geen vaste taak. Die zijn er om zelf mee te schilderen.

Per lade stel je ook in hoe groot de textuur is — hoeveel millimeter één tegel beslaat — en hoe hij mengt met de laag eronder.

Onderin het venster staan de grenzen waarmee TRAX bepaalt wat steil is, wat een helling is en wat hoog is. Die grenzen zijn niet hard: er zit ruis omheen, zodat de overgangen kronkelen in plaats van een rechte lijn te trekken.

Zelf schilderen

In de groep Textuur op de terreintab staat het gereedschap:

  • Textuur schilderen brengt de gekozen lade aan waar je schildert.
  • Gum: terug naar de automatische ondergrond haalt je eigen werk weg en zet die plek terug op wat de vorm van het terrein voorschrijft.

Daarnaast kies je met welke lade je schildert. Alleen de laden 4 tot en met 8 staan in die lijst: de eerste vier worden immers door de vorm bepaald.

De kwast is dezelfde als bij het boetseren — dezelfde vorm, dezelfde straal, dezelfde sterkte — en één streek is weer één stap in ongedaan maken.

Er zit geen gras bij

In de standaardset zit geen grastextuur, en dat is met opzet. Gras in TRAX is geen plaatje op de grond maar echte begroeiing die je erop zet: pollen op gekruiste kaartjes, die in de wind bewegen. De ondergrond onder dat gras is aarde. Zie Gras en bloemen.

Wanneer je de set toepast

Verander je de set of de grenzen, dan berekent TRAX de drie automatische laden opnieuw uit de vorm van de grond zoals die er nú bij ligt. Wat je zelf hebt geschilderd blijft staan. Tafels waarvan het terrein op slot staat, laat hij met rust.

5.3 Automatisch landschap

Terrein invullen op de terreintab maakt in één keer een landschap om je rails heen. Dat is meestal het beste begin: eerst laten invullen, dan met de kwast bijwerken.

Wat er gebeurt

TRAX doet het in drie stappen.

  1. Hij kijkt waar de rails ligt. Van elk railstuk wordt de voetafdruk van het ballastbed op het raster gezet, op de hoogte van dat stuk, en met de aantekening of het gewoon spoor is, een tunnel of een brug.
  2. Hij meet de afstanden. Voor elk punt van het raster rekent hij uit hoe ver het van gewoon spoor, van een tunnel en van een brug af ligt — drie aparte metingen, zodat geen enkel punt van de ene regel in de andere springt.
  3. Hij legt het landschap neer en past het aan de rails aan.

De regels

  • Onder gewoon spoor ligt de grond op de hoogte van het spoor, met een schouder ernaast, en loopt daarna over in het landschap. Door een heuvel heen wordt dat een insnijding van ongeveer 34 graden, over een dal een dam.
  • Boven een tunnel komt minstens twee keer het profiel van vrije ruimte aan berg te liggen, plus een tunnelwand, en dat valt af op 1 staat tot 2. Zo lijkt de berg een berg en niet een velletje over de trein.
  • Onder een brug blijft minstens één profiel vrij, het blijft nog 250 millimeter vlak voorbij het brugdek en klimt daarna op tot het het landschap raakt.
  • Onder een weg wordt dezelfde regel toegepast als onder gewoon spoor, met een maximale helling van 12 procent.
  • Onder een gebouw komt een vlak plateau.

Het landschap zelf

Het landschap dat TRAX neerlegt is geen ruis. Ruis geeft willekeurige bobbels op elke schaal, en een tafel van tien meter wil drie of vier heuvels met dalen ertussen, of een bergrug. Daarom zijn het echte elementen: langgerekte heuvels met een lengte, een breedte, een richting en een hoogte, waarvan de richtingen aan elkaar geregen worden zodat ze ruggen vormen.

In de instellingenlade van het zijpaneel stel je in wat voor landschap je wilt:

  • Landschap: Glooiend, Heuvels en dalen, of Bergen.
  • Heuvelachtigheid: hoe hoog, tot 3 meter.
  • Heuvelgrootte: hoe ver de elementen uit elkaar liggen.
  • Detail: hoeveel fijne oneffenheid er overheen komt.

Kies je een stijl, dan zet TRAX de andere drie op waarden die daarbij horen. Daarna mag je ze gewoon zelf bijstellen.

Het landschap wordt berekend in wereldcoördinaten met één toevalsgetal voor je hele baan. Twee tafels naast elkaar krijgen dus één doorlopend landschap, en een tafel die je later toevoegt past bij zijn buren.

Duurt even

Op een grote tafel duurt het invullen een paar seconden. Je ziet een balkje lopen; de editor blijft ondertussen gewoon reageren.

Het hele invullen is één stap in ongedaan maken, voor alle tafels tegelijk. Bevalt het niet, dan druk je op Ctrl + Z en is alles terug.

Weer vlak

Weer vlak haalt het hele terrein van een tafel weg en maakt hem weer een plank. Tafels waarvan het terrein op slot staat, weigert hij.